Inhoud & samenvattingen

Dendroflora 50

50 jaar Dendroflora

Het initiatief van de KVBC in 1961 om met de uitgave van Dendroflora te beginnen heeft een schitterend gevolg gekregen. Bij het verschijnen van Dendroflora 50 is het een goed moment om terug te kijken. Dendroflora heeft tot nu toe slechts drie hoofdredacteuren gekend. Ze hebben alle drie tijdens hun hoofdredacteurschap onmiskenbaar hun stempel gedrukt op de uitgaven. Door het beschrijven van verschillende perioden wordt een overzicht gegeven van het reilen en zeilen van Dendroflora en de mensen die zich er voor hebben ingezet.

Opmerkelijke planten uit 50 jaar Dendroflora

Een jubileumnummer kan natuurlijk niet bestaan zonder een terugblik. In dit artikel is geïnventariseerd wat er in de nummers 1 tot en met 49 is gepubliceerd aan nieuw sortiment en wat we daar in de actualiteit van dit jubileumjaar nog aan hebben. Uit ieder nummer is een opmerkelijke plant geselecteerd waarvan de relevantie in het heden wordt getoetst.  Belangrijke vraag daarbij is hoeveel nieuwe introducties werkelijk een verbetering zijn van het sortiment en blijvende waarde  hebben.

Ontwikkelingen in naamgeving en registratie van cultuurplanten

Een correcte en eenduidige naamgeving van onze boomkwekerijgewassen is van groot belang voor de groensector. Het is immers een belangrijk middel voor de garantie van soortechtheid en is daarmee een wezenlijk onderdeel van de plantkwaliteit. In dit artikel staan nieuwe ontwikkelingen weergegeven vanuit de wetenschap, de wetgever en het bedrijfsleven. Het bouwt voort op twee eerder geschreven artikelen in Dendroflora over naamgeving van planten (1999) en classificatie van planten (2008).

In het eerste deel van dit artikel wordt een aantal items en ontwikkelingen uit enkele voorgaande artikelen genoemd en in een historisch perspectief gezet.

In het tweede deel wordt ingegaan op de wettelijke registratie van plantenrassen. Vooral in de registratie van fruitrassen zijn er flinke veranderingen en daarnaast dreigen op termijn soortgelijke ontwikkelingen in de registratie van siergewassen. Dergelijke wetgeving heeft grote invloed op de teelt en handel van tuinbouwgewassen.

In het derde deel wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de naamgeving van cultuurplanten vanuit de wetenschap. Vorig jaar is een symposium geweest waarin veel zaken besproken en bediscussieerd zijn. Op basis hiervan wordt de regelgeving van de Cultuurplantencode (ICNCP) aangepast. Opgestelde regels of richtlijnen voor nieuwe categorieën zoals de grex, series en zaadmengsels en cultivartypes worden besproken.

Tenslotte komen in het vierde deel enkele werkwijzen en voorbeelden uit de praktijk aan de orde. Voorbeelden zijn de intensivering van veredeling, de diversiteit en wildgroei in gebruik van handelsnamen, het niet vermelden van de cultivarnaam, het merkenrechtelijk beschermen van de cultivarnaam en het gebruik van diverse symbolen om verschillende types van bescherming aan te geven.

Het nut van stadsgroen

In de afgelopen jaren is de belangstelling voor de functies van beplanting in de stad sterk toegenomen. Want deze zogenaamde ecosysteemdiensten blijken belangrijk te zijn voor de leefbaarheid van de stad. PPO geeft een overzicht van de recente bevindingen op dit gebied, gebaseerd op het “Themaonderzoek sortiment”, dat van 2003-2012 gelopen heeft. In Dendroflora hebben al meerdere artikelen gebaseerd op dit onderzoek gestaan, waarnaar hier regelmatig verwezen wordt.

In dit artikel worden ecosysteemdiensten ingedeeld in diensten voor een prettige leefomgeving, bestaanszekerheid op lange termijn en sociale en psychologische behoeften.

Groen kan een grote bijdrage leveren aan het tegengaan van wateroverlast en aan het koelen van de stad (dus tegen het urban heat island effect). Het helpt ook tegen luchtvervuiling en herrie, maar van die problemen kan groen maar een klein deel oplossen. Stedelijk groen kan een rol spelen bij de voorziening van voedsel en energie, al gebeurt dat op dit moment nog maar mondjesmaat. Als onderdeel van de bestaanszekerheid is het effect van groen op onze gezondheid erg belangrijk. Groen is ook belangrijk voor het behoud van de biodiversiteit in de stad. Op sociaal/psychologisch gebied speelt groen een rol bij sociale contacten, educatie, recreatie, cultuur en identiteit. En – misschien verrassend – blijkt groen de criminaliteit in woonwijken te verlagen.

Vooral het tegengaan van wateroverlast en waarschijnlijk ook de besparing op zorgkosten vertegenwoordigen een aardig hoge geldwaarde. Stadsgroen dient dus zeker niet alleen voor de sier.

Buddleja – internationale resultaten Euro-trial

Vanaf 2008 t/m 2011 werd een uitgebreid sortiment Buddleja gekeurd. In het kader van de Euro-trials is hetzelfde sortiment gekeurd in verschillende Europese landen met verschillende klimaatszones en bodemomstandigheden. Het sortiment is gekeurd in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. De resultaten van het Nederlandse deel van deze Euro-trial werden al gepubliceerd in Dendroflora 48 (pag. 34-67). Nu ook de resultaten van de buitenlandse partners bekend zijn volgt in dit artikel een overzicht van alle beoordelingen.

In de bijgevoegde tabel staan alle planten en beoordelingen. In het overzicht van de vermelde cultivars staan alleen de meest opvallende resultaten. Dit kan inhouden dat een cultivar in alle landen (zeer) hoog beoordeeld werd, maar ook zullen die cultivars worden genoemd waar de resultaten in de verschillende landen sterk uiteenlopen. Voor een volledige beschrijving van de cultivars zie Dendroflora 48.

Fraxinus, een geslacht in de branding

Deze bijdrage heeft als basis de in 2012 gehouden Dendrologendag in Doorn. De belangrijkste lezing werd verzorgd door de Zweedse Eva Wallander, die in 2001 een interessant proefschrift heeft geschreven over de evolutie en de bloei van de es. Cees van der Linden besprak het gekweekte sortiment. Het geslacht staat op dit moment extra in de belangstelling vanwege de Essentaksterfte.

Het artikel begint met enkele inleidende onderwerpen zoals morfologie en evolutie van de bloei, systematiek (inl. indeling in secties), de fylogenie en biogeografie en  ziekten en plagen. Daarna worden in alfabetische volgorde de soorten en cultivars behandeld. Bij de beschrijving van de soorten is Wallander gevolgd. Maar verschillen met een recente taxonomische publicatie van Hinsinger (2013) worden besproken.

Geelbloeiende Magnolia’s in het Arboretum Wespelaar

Geelbloeiende Magnolia’s zijn relatief onbekend, want de meeste soorten zijn wit, roze of paars. Één van de eerste en bekendste geelbloeiende cultivars is M. ‘Elizabeth’, die al in 1977 werd geïntroduceerd.

Inmiddels is het aantal bekende geelbloemige Magnolia-cultivars tot boven de honderd gestegen. In dit artikel worden de soorten en cultivars besproken die het meest bekend zijn en die er kwalitatief gezien bovenuit springen. Het betreft vooral een persoonlijke keuze van de auteur, die veel ervaring heeft opgedaan met het sortiment in Arboretum Wespelaar.

Naast het besproken sortiment wordt in het artikel onder andere behandeld waar de gele bloemkleur vandaan komt (M. acuminata), de eerste generatie hybriden, de verbetering van de gele bloemkleur en wordt er een eindconclusie getrokken. De zoektocht naar een kleine, vroegbloeiende Magnolia met diepgeel gekleurde bloemen blijft verdergaan.

Dendroflora 49

Planten voor natte locaties

De hoeveelheid vocht in de bodem is één van de belangrijkste groeivoorwaarden voor planten. De meeste soorten prefereren een normale vochthoudende bodem, maar er zijn ook soorten die een veel drogere of juist nattere bodem prefereren of tolereren. Nederland, als waterland bij uitstek, kent vooral veel natte locaties. In het stedelijke gebied geldt dit voor bijvoorbeeld oevers, laaggelegen delen en wadi’s. Vooral wadi’s zijn de laatste jaren erg populair geworden en bieden ook veel perspectief voor vergroening. Een goede soortkeuze voor zowel permanent natte als periodiek natte locaties is van essentieel belang.

Dit artikel richt zich op landplanten voor natte locaties. Waterplanten voor locaties in het oppervlaktewater worden buiten beschouwing gelaten. In het eerste deel wordt ingegaan op de relatie tussen Nederland en water. Daarbij worden permanent natte en periodiek natte locaties besproken en nader gedefinieerd. In het tweede deel wordt ingegaan op het fenomeen wadi en met name de mogelijkheden voor het vergroenen hiervan. In het derde deel wordt ingegaan op het sortiment voor verschillende locaties: drassig, nat en afwisselend nat/droog. Om de soortkeuze te vergemakkelijken is een uitgebreide soortentabel gemaakt van houtige gewassen (tabel 1) en vaste planten (tabel 2).

 

Stewartia, een parel voor elke tuin

Stewartia is een vrij onbekend gewas bij ons. Slechts één soort binnen het genus,Stewartia pseudocamellia, geniet enige bekendheid als tuinplant in West Europa. Het geslacht heeft echter veel te bieden qua sierwaarde: de schors in de winter; de delicate bloei in de vroege zomer en de prachtige herfstverkleuring. Bovendien zijn deze gracieuze planten ook geschikt voor de wat kleinere tuinen. Maar Stewartia is meer danS. pseudocamellia alleen. Daarom wordt in dit artikel een overzicht gegeven van de soorten en cultivars die bij ons kunnen groeien. Daarnaast wordt in het eerste deel ingegaan op  de algemene kenmerken van het genus, de taxonomie, de belangrijkste collecties in Europa en Amerika en de teelt en vermeerdering. Arboretum Wespelaar heeft één van de belangrijkste collecties wereldwijd (22 taxa en 108 exemplaren in 2013). Op basis van deze collectie is veel kennis en ervaring over Stewartia verkregen en weergegeven in deze publicatie.

 

Styrax  – overzicht van het sortiment

Het geslacht Styrax of Storaxboom is relatief onbekend en telt een aantal interessante kleine bomen of grote struiken. Ze vallen op door hun rijke bloei in juni, een periode waarin weinig andere kleine bomen bloeien. In de zomer en herfst trekken de meestal zilvergrijze vruchten de aandacht. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van het geslacht Styrax. De voor Nederland belangrijkste soorten en cultivars worden genoemd en voor zo ver bekend beschreven en voorzien van opmerkingen.

In het eerste deel wordt relevante achtergrondinformatie over Styrax gegeven: taxonomie, morfologische en taxonomische kenmerken, productie van benzoë hars, vermeerdering en standplaats en ecologie.

 

Symphoricarpos sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Symphoricarpos (Sneeuwbes) is een heester die veel wordt gebruikt in het openbaar groen en – op wat beperkter schaal – in particuliere tuinen. Van nature is het een zeer gemakkelijke plant, die vooral gewaardeerd wordt vanwege de opvallende witte of paarsroze bessen en/of de zeer goede bodembedekking. Het gewas is de afgelopen jaren ook uitgegroeid tot één van de populairste snijheesters. Vooral voor dit gebruik zijn er de afgelopen jaren veel nieuwe cultivars op de markt verschenen. Inmiddels zijn er ruim 60 verschillende cultivars bekend. Ruim 30 cultivars zijn op twee verschillende locaties getest. De planten zijn door PPO beschreven en beoordeeld op gebruik als tuin- en plantsoenplant. De KVBC voerde een sterrenkeuring uit. In deze publicatie staan de resultaten van dit onderzoek. Naast de volledige beschrijvingen en beoordelingen van de beoordeelde cultivars bevat het artikel ook een aanvullende lijst van cultivars, inclusief korte beschrijving. Dit op basis van literatuuronderzoek.

Daarnaast staat ook de classificatie van Symphoricarpos ter discussie. Tot nu toe werden cultivars ingedeeld in soorten en soorthybriden, met name S. albus, S.×doorenbosii en S. ×chenaultii. Vooral voor nieuwe cultivars blijkt dit steeds lastiger vol te houden, omdat de genetische herkomst gecompliceerd of discutabel is. Daarom is voor de praktijk een nieuwe indeling in groepen gemaakt, die in deze publicatie wordt gepresenteerd.

Dendroflora 48

Klimaatverandering en sortiment

Ons klimaat is aan het veranderen, hierover bestaat geen twijfel. Nederland wordt warmer, de winters worden natter en er komen vaker periodes van extreme droogte, regenval of hitte voor. Dit heeft consequenties voor de plantengroei, zowel voor de natuurlijke vegetatie als voor onze cultuurplanten, zoals gebruikt in tuinen en plantsoenen.

Dit artikel gaat in op de consequenties van de klimaatverandering voor ons sortiment boomkwekerijgewassen. Het eerste deel gaat over klimaat en klimaatverandering. Hoe verandert ons klimaat precies? Welke rol heeft de stedelijke omgeving en het stadsklimaat hierin? Het tweede deel gaat in op het systeem van USDA winterhardheidszones voor planten dat internationaal veel wordt gebruikt. Hoe werkt het en wat is de invloed van klimaatverandering op dit systeem? Het derde deel gaat over verschuivingen in ons boomkwekerijsortiment. Welke selectiecriteria worden belangrijk? Welke soorten hebben of krijgen het daardoor moeilijk en voor welke soorten stijgen de perspectieven voor de komende decennia? Daarbij wordt ook ingegaan op de fysiologische achtergronden. Aan het eind worden praktische aanbevelingen en conclusies gegeven, die vooral voor groengebruikers zoals kwekers, groenvoorzieners, tuinarchitecten en consumenten van belang zijn.

Buddleja davidii en hybriden – cultivarbeschrijvingen en keuringsrapport

Tussen 2004 en 2012 zijn 2 rassenproeven met Buddleja davidii en hybriden daarmee gedaan. De eerste was alleen in Boskoop, de tweede was deel van de internationale Eurotrial Buddleja. In dit artikel worden de beschrijvingen en keuringsresultaten van alle beproefde rassen gepresenteerd. Daarnaast wordt een uitgebreide lijst met korte beschrijvingen gegeven van de niet-geteste rassen die op het moment in de handel zijn. Dat zijn er veel, aangezien meerdere veredelaars de afgelopen jaren aan buddleja hebben gewerkt. Het doel was eerst om mooie bloemkleuren te verkrijgen. Later kwam het accent vooral te liggen op compacte planten, en op steriliteit, om de overlast die ontstaat door opschietende Buddlejazaailingen te voorkomen.

Camellia – vorstschade van in de winter 2011-2012

In de winter van 2011-2012 heeft de nu tien jaar oude collectie Camellia in Boskoop, bestaande uit honderd soorten en cultivars, veel geleden. De meeste planten hebben het wel overleefd, maar er is veel vorstschade opgetreden. De geleden schade is in kaart gebracht, waarmee waardevolle informatie is verkregen over de vorstgevoeligheid van de verschillende cultivars. Dit is een aanvulling op de twee recente voorgaandeCamellia-artikelen (Dendroflora 41 en 46).

Corylus – overzicht van het sortiment

Het geslacht Corylus kent tegenwoordig 12 soorten waarvan 4 boomvormige soorten en 8 struikvormige soorten. Slecht twee soorten zijn algemeen bekend in Nederland: C. avellana en C. colurna. Beide soorten hebben diverse cultivars met sierwaarde voor tuinen en openbaar groen. De nieuwe cultivars zijn vooral geselecteerd op (rode) bladkleur.

Dit artikel geeft een overzicht van bekende en minder bekende soorten en cultivars. Van alle wordt een beschrijving gegeven. Tevens wordt een lijst gegeven van de beste cultivars voor hazelnootproductie. Één van de meest veelbelovende onbekende soorten is C. fargesii. Deze soorte heeft een mooi afschilferende bast conform Betula albosinensis en jonge B. nigra.

Fothergilla – sortimentsonderzoek

Fothergilla wordt op vrij kleine schaal gekweekt. Daarbij is er veel verwarring in naamgeving. De planten werden van oudsher onder drie soortnamen verhandeld. Maar in praktijk blijken meer dan 15 verschillende klonen gekweekt te worden. Vanaf 2004 tot en met 2010 werd het sortiment beoordeeld door de keuringscommissie van de KVBC. Hoofddoel van dit onderzoek was om duidelijkheid te scheppen in de grote hoeveelheid klonen en de naamgeving te verduidelijken. Daarbij is ook de stekbaarheid getest en meegenomen in de beoordeling. Er zijn 43 klonen en 4 cultivars beoordeeld.

Het artikel gaat in op de taxonomie en problematiek in naamgeving. Daarbij is het artikel van Ranney et al (2007), waarin de soorten F. major en F. gardenii, alsmede hun hybride F. ×intermedia worden erkend, gebruikt als belangrijke referentie. Verder wordt ingegaan op de sier- en gebruikswaarde van Fothergilla en wordt verslag gedaan van de beoordelingen van de keuringscommissie. Daarbij werd uiteindelijk werd afgezien van het selecteren en benamen van onbenaamde klonen. Dit omdat bestaande cultivars (met name ‘Mount Airy’) hoog scoorden in de beoordeling en de onderscheidbaarheid tussen de planten soms erg klein was.

Op grond van de beoordeelde klonen en cultivars en aanvullende literatuuronderzoek wordt in het artikel een overzicht van het sortiment gegeven, inclusief soort- en cultivarbeschrijvingen.

Potentilla fruticosa – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Potentilla fruticosa (Struikganzerik) is een heester die veel wordt gebruikt in het openbaar groen en op beperkte schaal wordt gebruikt in particuliere tuinen. Van nature is het een gemakkelijke plant, die vooral opvalt door de lange bloeitijd, vaak van het late voorjaar  tot in de nazomer of herfst. Naast de natuurlijke gele en witte bloemkleur, zijn er in de loop van de jaren nieuwe cultivars ontwikkeld met rode, roze en oranje bloemen. Ook de gezondheid is flink verbeterd. Dit heeft het gewas een enorme impuls gegeven. Inmiddels zijn er ruim 150 verschillende cultivars bekend. Ongeveer 80 cultivars zijn op twee verschillende locaties getest. Het geteste sortiment bestond in principe uit de nieuwe cultivars, aangevuld met het standaard handelssortiment en goede referentiecultivars. De planten zijn door PPO beschreven en beoordeeld op gebruikswaarde. De KVBC voerde een sterrenkeuring uit.

42 Cultivars kregen een positieve beoordeling: 17 cultivars kregen 1 ster, 13 cultivars kregen 2 sterren, 8 cultivars kregen 3 sterren en 4 cultivars een “s” (aanbevolen voor speciale doeleinden).

Na deze laatste sterrenkeuring is ook in Duitsland en in Engeland, onafhankelijk van elkaar, een sortimentskeuring uitgevoerd. De uitkomsten hiervan worden daarbij in grote lijnen in dit artikel weergegeven.

Naast de volledige beschrijvingen en beoordelingen van de 80 beoordeelde cultivars bevat het artikel ook een aanvullende lijst van cultivars, inclusief korte beschrijving. Dit op basis van literatuuronderzoek.

Dendroflora 47

Arboretum Oudenbosch en de Aesculus-collectie

Y. van Andel en L. van den Berkmortel

Arboretum Oudenbosch is gelegen in het west-Brabantse Oudenbosch. Het is een prachtig en goed draaiend Arboretum, ondanks de crisis die heerst onder de Nederlandse botanische tuinen en arboreta. Dit heeft veel te maken met het feit dat het Arboretum wordt gerund door enthousiaste vrijwilligers. De tuin is een voormalige kloostertuin. Sinds 1987 is deze in beheer van een stichting. In dit artikel wordt eerst de ontstaansgeschiedenis behandeld, inclusief het toegangsgebouw. Dan komen achtereenvolgens de verschillende delen van de tuin aan bod: de Paterstuin, de Centrale laan, de Bansloot en de vijver, het Europese deel en de Broedertuin. Tenslotte wordt verteld hoe de vrijwilligersploeg functioneert en hoe deze ploeg gevoed wordt met kennis en daarbij gemotiveerd blijft.

Met 67 taxa vormt het geslacht Aesculus een belangrijke specialisatie van het Arboretum. Het betreft totaal 12 soorten, 5 variëteiten en 60 cultivars (inclusief hybriden).

 

Goede plantcombinaties

Ir. M.H.A. Hoffman

De afgelopen decennia zijn in Nederland veel soortarme beplantingen aangelegd, vooral in het openbaar groen. Menige beplanting bestaat zelfs maar uit één soort of cultivar, de zogenaamde monobeplanting. Dit is gemakkelijk qua aanleg en onderhoud en past in het (moderne) straatbeeld.

Zowel vanuit de samenleving als door deskundigen is er een steeds grotere roep om meer variatie. Met gevarieerde beplanting kun je bijvoorbeeld de biodiversiteit vergroten, iets dat de laatste jaren sterk leeft. Niet alleen vanwege de variatie en dynamiek maar ook als middel om schade door vervelende plantenziektes, zoals de kastanjeziekte en taksterfte in Buxus, te beperken of de verspreiding ervan te bemoeilijken. Ook burgers hebben belang bij variatie in beplanting. Dit vergroot de kleurrijkheid en dynamiek, wat aantoonbaar invloed heeft op het welbevinden van mensen.

Een belangrijk struikelblok voor grootschalige toepassing, vooral in het openbaar groen, is de benodigde kennis voor aanleg en onderhoud. Maar gezien de vraag vanuit de maatschappij is de tijd rijp voor meer menging in onze beplantingen. Dit artikel geeft een stand van zaken. Wat zijn de basisprincipes van het combineren? Hoe beïnvloeden planten elkaar, zowel positief als negatief? Wat zijn de belangrijkste functiegroepen in een combinatiebeplanting? Wat zijn de belangrijkste types combinatiebeplantingen? En op welke manier is in praktijk en qua marketing al gebruik gemaakt van combinatiebeplanting?

 

Zouttolerantie van planten

Ir. M. E.C.M. Hop

Zouttolerantie is van belang voor planten op zilte grond, bij gebruik van gietwater met hoge EC, en voor straatbeplantingen wanneer strooizout wordt gebruikt. Een te hoog zoutgehalte is nadelig voor planten, omdat ze moeilijk water en nuttige meststoffen kunnen opnemen en schade kunnen ondervinden van vooral chloride-ionen. Dit veroorzaakt groeiremming,  een slechte bladkwaliteit en uiteindelijk de dood van de plant. Planten vertonen van nature grote verschillen in de gevoeligheid voor zout. Deze worden bijvoorbeeld veroorzaakt door een lage waterbehoefte, een hoge opnamecapaciteit voor water, een hoge stresstolerantie en verschillende mechanismen die transport en opslag van zout binnen de plant controleren. Ook zijn er verschillende teeltmaatregelen die kwekers en gebruikers kunnen nemen om zoutschade te voorkomen en te herstellen. In het artikel worden uitgebreide lijsten gepresenteerd van de zoutgevoeligheid van loofhout, coniferen en vaste planten. De mate van gevoeligheid wordt weergegeven, dus de lijst bevat zowel gevoelige als tolerante gewassen. Hoewel gezocht is naar zo betrouwbaar mogelijke informatie, moet deze lijst gezien worden als een voorlopig overzicht. De gebruikte bronnen verschillen namelijk sterk in de gehanteerde methoden, en ze bevestigen lang niet altijd elkaars resultaten.

 

Betula – Keuringsrapport van de TKC

Ing. G.J.J. Bolscher

Tot nu toe is in Dendroflora twee keer een rapport verschenen over Betula: In Dendroflora 10 (1973) door Herman J. Grootendorst en in Dendroflora 23 (1986) door Dr. Piet C. de Jong. Dit derde rapport is een aanvulling hierop.

De TKC van de Naktuinbouw heeft de laatste jaren het in het openbaar groen gebruikte sortiment beoordeeld en beschreven. De resultaten hiervan zijn te vinden in dit keuringsrapport. De meeste beschreven soorten en cultivars zijn ruim verkrijgbaar bij Nederlandse boomkwekers. Maar er zijn  ook enkele cultivars opgenomen die uitsluitend nog te vinden zijn in speciale collecties. Het rapport geeft niet het volledige sortiment; vooral veel nieuwe cultivars zijn niet vermeld omdat hiermee nog geen praktijkervaring is opgedaan  en ook niet zijn beoordeeld door de keuringscommissie.

De belangrijkste groeiwaarnemingen zijn weergegeven in tabelvorm aan het eind van het artikel.

 

Moeten we Cupressus opsplitsen?

Dr. A. Farjon

In de afgelopen jaren zijn in een toenemend aantal moleculair-taxonomische studies voorstellen gedaan, om de opvattingen over bepaalde families en geslachten drastisch te herzien. Dit heeft ernstige bezorgdheid gewekt in de tuinbouw omdat veranderingen op geslachtsniveau ook consequenties kunnen hebben voor de naamgeving. Dergelijke voorstellen zijn ook gepubliceerd voor het geslacht Cupressus.

Sinds 2004 is in een klein aantal Amerikaanse publicaties geconcludeerd dat het geslacht opgesplitst moet worden. Voor de helft van het geslacht zijn er al twee verschillende namen, die sinds 2006 worden toegepast. Deze auteurs claimen dat de gegevens nu zo’n overstelpende ondersteuning hiervan zijn dat er werkelijk geen andere mogelijkheid is dan dit te accepteren, met bijbehorende verstrekkende naamsveranderingen. Is deze claim terecht? Moeten we het geslacht Cupressus in mootjes hakken? In dit artikel wordt beargumenteerd dat we uit wetenschappelijk oogpunt een dergelijke verplichting niet hebben en dat het beter is als we kennis nemen van deze interessante bevindingen over bepaalde verwantschap in het geslachtCupressus, maar dat er geen reden is de huidige omschrijving, zoals gegeven in de monografie van de Cupressaceae (Farjon, 2005), te verlaten.

Ter verantwoording van bovenstaande worden eerst enkele van de aannames, doelstellingen en methodes van verwantschapsonderzoek (cladistiek) kort uitgelegd. In figuur 1 staat een verwantschapsboom (cladogram) van Adams et al. (2009) ter illustratie. Wat zijn nu de verdiensten en wat zijn de tekortkomingen van dit moderne classificatiesysteem? Het lijkt soms onvermijdelijk om nieuwe fylogenetische inzichten te volgen. Met deze publicatie wordt geprobeerd om mensen hierover aan het denken te zetten.

Dendroflora 46

Klimplanten – sierlijk en functioneel

Ir. M.E.C.M. Hop

Groene wanden zijn populair en er zijn diverse (technische) systemen in omloop. De gemakkelijkste manier om een groene wand te creëren, is om er een klimplant tegenaan te zetten. Biologisch gezien groeien klimplanten omhoog door steun te zoeken aan obstakels en op deze manier het zonlicht op te zoeken. Klimplanten zijn zeer functioneel als ze tegen een muur opgroeien. Ze beschermen de muur tegen regen en zonlicht, isoleren het huis tegen hitte, koude en lawaai, reinigen van de lucht en bieden een habitat voor veel kleine dieren. De beste steunmuren voor klimmers bevinden zich in de halfschaduw en hebben een niet te lichte kleur. Het oppervlak moet niet schilferen en zeker geen scheuren vertonen, omdat veel klimmers hierin zullen groeien. Klimplanten kunnen worden onderverdeeld in vier groepen:

1. Zelf klimmers, zoals Hedera en Parthenocissus, die zich aan een muur met hechtwortels of kleverige ranken hechten.

2. Slingerplanten, zoals Lonicera of Blauwe regen, die hun stengels rond een klimsteun slingeren. Zij hebben stevige, afgeronde, verticale steunen nodig.

3. Klimmers met ranken, zoals Vitis, Clematis of Pisum, met ranken die zich zelf om een klimsteun wikkelen. Als klimsteun hebben rankplanten dunne takjes of draden nodig. De klimsteun mag in elk geval geen grotere omtrek hebben dan de rank lang is. Rankplanten groeien niet alleen omhoog, maar ook in de breedte.

4. Steunklimmers, zoals Rosa of Rubus, weven zich door een andere plant heen, waarbij hun vertakking of doorns ervoor zorgen dat ze niet terug naar beneden glijden. Hierdoor werken ze zich geleidelijk omhoog.

In dit artikel worden 27 geslachten van klimplanten beschreven, gericht op hun functionele aspecten. Wat voor soort steun ze nodig hebben, in afmetingen en materialen. Hoe snel ze groeien en voor welke locaties ze het best geschikt zijn.

 

Planten en luchtkwaliteit

Ir. M.H.A. Hoffman

Planten hebben een grote waarde voor het milieu en de levenskwaliteit van mensen. Dit wordt steeds meer erkend. Mensen houden van groen en het is aangetoond dat een groene leefomgeving mensen tot rust brengt en bijdraagt aan een goede gezondheid. Voor een deel hebben deze effecten een psychologische oorzaak. Maar er zijn ook meer tastbare oorzaken. Planten produceren zuurstof en halen kooldioxide (CO2) uit de atmosfeer. Verder kan groen schadelijke deeltjes uit de lucht wegvangen, zoals fijnstof, stikstofoxiden en ozon. Het is wel zaak om planten gericht in te zetten. De effectiviteit verschilt per plantensoort. Verder kan te dichte vegetatie langs de weg de concentratie van luchtverontreinigende stoffen juist verhogen. En sommige plantensoorten kunnen een verhoging van de ozonconcentratie veroorzaken. Voor een optimaal effect is kennis van zaken dus essentieel. Planten zijn geen wondermiddel voor het zuiveren van de lucht, maar kunnen zeker een goede bijdrage leveren. Dit artikel geeft handvaten om als kweker en groenvoorziener optimaal te profiteren van de luchtzuiverende werking van groen.

 

Camellia Ackerman-serie – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

J.P. Kortmann

In 2004 is het eerste deel van het sortimentsonderzoek van Camellia in Boskoop afgerond (zie Dendroflora 41). Daarbij zijn door de KVBC ca. 100 cultivars gekeurd, die samen het meer of minder gangbare Nederlandse handelssortiment vertegenwoordigen. In het tweede onderzoek, waarover dit artikel rapporteert, is de Ackerman-serie gekeurd. Dit zijn cultivars die afkomstig zijn uit het veredelingsprogramma van de Amerikaan Dr. William Ackerman, waarbij is gekruist en geselecteerd op winterhardheid. Dit is voor Nederland natuurlijk erg interessant, omdat Camellia bij ons niet betrouwbaar winterhard is. Maar liefst 35 cultivars van deze serie zijn door de auteur naar Nederland gehaald en door de KVBC gekeurd. Daarbij is een indeling gemaakt in herfstbloeiende en voorjaarsbloeiende cultivars.

 

Hydrangea paniculata – internationale resultaten Euro-trial

 R.T. Houtman

In 2008 werden de resultaten van het Nederlandse deel van de Euro-trial Hydrangea paniculata gepubliceerd (Dendroflora nr. 44, pag. 55-75). Inmiddels zijn ook de resultaten van de buitenlandse partners bekend. In dit artikel volgen hun volledige beoordelingen. Daarnaast wordt een kleine update gegeven van het sortiment. Verder wordt een aantal overall conclusies gegeven. In totaal werden 35 cultivars getest in 4 verschillende landen (Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland). Als het aantal sterren (eindresultaat per land per cultivar) wordt opgeteld, komende de volgende cultivars het best uit de bus: ‘Limelight’ (12), ‘Big Ben’ (11), ‘Phantom’ (11), ‘Silver Dollar’ (8,5), ‘DVDPinky’ (8; sum of results from 3 countries; not judged in France), ‘Greenspire’ (7), ‘Dolly’ (7) en ‘Pink Diamond’ (7).

 

Het geslacht Ostrya

Dr. P.C. de Jong

In aansluiting op Carpinus in Dendroflora 45 volgt in dit artikel het geslacht Ostrya (Hopbeuk). Van dit geslacht is op dit moment geen enkele soort belangrijk in cultuur. Er zijn ook geen cultivars bekend. Toch heeft dit vrij kleine geslacht enkele soorten die veel meer toepassing verdienen als laanbeplanting en in parken en plantsoenen. Het zijn gezonde, groeikrachtige bomen, die in de nazomer getooid zijn met fraaie hopbellen.

Ostrya is een klein geslacht bestaande uit 8 soorten. Hievan zijn er 3 in cultuur: O. carpinifolia, O. japonica enO. virginiana. De verschillen met Carpinus worden in het artikel opgesomd. Recent publicaties van Li (2008) en Yoo & Wen (2007) werpen nieuw licht op de verwantschap tussen Ostrya en Carpinus.

 

Het geslacht Ulmus – nieuwe mogelijkheden

L. Goudzwaard                         

Iepen behoren tot sterkste bomen voor stedelijke omstandigheden en open landschappen. Door de iepenziekte is het Iepenbestand in Nederland flink achteruitgegaan. De vorige beschrijving van Ulmus in Dendroflora 5 (1968) verscheen nog voor de verspreiding van de tweede iepenziekte-schimmel in Europa en ook voor de uitgave van alle nieuwe hoogresistente selecties. Sindsdien zijn de inzichten in naamgeving en de beschikbare cultivars sterk veranderd. Het iepensortiment is constant in beweging; tijd voor een update in Dendroflora. In dit artikel de voor Nederland belangrijke soorten en cultivars. De volgorde is per werelddeel: Europa, Amerika en Azië. Daarna volgen de complexe hybriden.

Dendroflora 45

Classificatie van planten – nieuwe inzichten en gevolgen voor de praktijk

Ir. M.H.A. Hoffman

Er zijn ongeveer 300.000 verschillende (hogere) plantensoorten, die onderling veel of weinig op elkaar lijken. Vroeger werden alle plantensoorten afzonderlijk benaamd, en was niet duidelijk hoe deze soorten verwant waren. Tegenwoordig worden soorten conform het systeem van Linnaeus ingedeeld in geslachten. Soorten die sterk verwant zijn aan elkaar hebben dezelfde geslachtsnaam. Geslachten worden op hun beurt weer ingedeeld in families en die op hun beurt weer in ordes, enzovoort. Op deze manier kent het plantenrijk een hiërarchisch indelingsysteem, met verwantschap als basis. Sterke verwantschap is meestal ook zichtbaar aan de uiterlijke gelijkenis. Soorten die veel op elkaar lijken en verwant zijn zitten in dezelfde groep. Verre verwanten zitten ver uit elkaar in het systeem. Om een plant goed te kunnen benamen, moet dus eerst uitgezocht worden aan welke andere soorten deze verwant is.

Tot voor kort werd de gelijkenis van planten voornamelijk bepaald aan uiterlijke kenmerken van bijvoorbeeld bloem en blad. De afgelopen decennia kwamen daar al aanvullende criteria zoals houtanatomie, pollenmorfologie, chemische inhoudsstoffen en chromosoomaantallen bij.  De afgelopen jaren hebben DNA-technieken een grote vlucht genomen. Aan het DNA kan verwantschap tussen soorten worden afgelezen. Deze nieuwe ontwikkeling is van grote invloed op de taxonomie en op het classificatiesysteem van het plantenrijk. Dit heeft bijvoorbeeld invloed op de familie-indeling en de plaats van de familie in het systeem. Maar ook op geslachts- en soortniveau zijn er de nodige verschuivingen. Dit artikel gaat in op de ontstaanswijze en het principe van ons huidige classificatiesysteem en de grote invloed van nieuwe DNA-technieken. Wat zijn daarbij de uiteindelijke gevolgen voor de naamgeving van onze planten en gewassen voor de praktijk.

DNA technieken voor de boomkwekerij

Ir. M.E.C.M. Hop

DNA is een zeer lange molecuul dat in elke plantencel voorkomt. Het DNA regelt de productie van eiwitten en enzymen en bepaalt samen met het milieu hoe de plant er uitziet en zich ontwikkelt. Technieken om het DNA te onderzoeken worden op steeds grotere schaal gebruikt in de tuinbouw. Ze zijn nuttig, omdat het DNA uit elke deel van de plant en op elke moment ven het jaar gehaald kan worden. Ook voor de boomkwekerijsector zijn sommige DNA technieken zeer bruikbaar en betaalbaar zijn. Het gaat daarbij niet om het veranderen van eigen­schap­pen van planten, maar alleen om het meten ervan. Dit kan worden gebruikt voor identificatie van planten, en ter ondersteuning van klassieke kruisingsveredeling. In dit artikel wordt uiteengezet wat de verschillende DNA technieken nu kunnen betekenen voor boomkwekerijsector.

 

Carpinus – overzicht van het sortiment

Dr. P.C. de Jong

Publicaties over Carpinus (Haagbeuk) zijn er niet veel; tot nu toe is er in Dendroflora slechts eenmaal aandacht aan besteed. In nummer twee (1965) werd het sortiment besproken. Een klein sortiment van vier soorten, waarvan de bekendste, Carpinus betulus, als enige een viertal cultivars had. Daarna zijn er publicaties geweest van enkele nieuwigheden die gekeurd zijn op Groot Groen of Plantarium. De afgelopen jaren heeft de Technische Keuringscommissie van de Naktuinbouw studie gemaakt van het in Nederland gekweekte sortiment van C. betulus. Resultaten daarvan zijn in deze publicatie opgenomen.

Ter aanvulling daarop heeft de auteur studie gemaakt van enkele minder soorten, grotendeels afkomstig uit China. Enkele lijken een verrijking voor het sortiment. Ze lenen zich voor toepassing als parkboom, gebruik in groenstroken en gebruik voor hagen. Mogelijk zijn ze ook soms geschikt voor straten en pleinen. In dit artikel wordt een stand van zaken geven.

Winterkornoeljes – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

R.T. Houtman en Ir. M.H.A. Hoffman

Winterkornoeljes is een verzamelnaam voor de Cornus-soorten die in de winter opvallend gekleurde takken hebben. Deze groep planten is vooral vanwege de prachtige wintertakken erg populair, als tuinplant en als snijtak. Veruit de bekendste drie soorten zijn C. alba, C. sanguinea en C. sericea. Ongeveer 45 verschillende soorten en cultivars van deze groep zijn door de KVBC beoordeeld. Daarbij zijn oude cultivars zoals C. alba ‘Sibirica’ en C. sericea ‘Flaviramea’ getest naast vele nieuwere. Tevens zijn enkele minder bekende botanische soorten van deze groep getest.

Naast C. alba, C. sanguinea en C. sericea, behoren ook C. amomum, C. asperifolia, enC. racemosa tot de Winterkornoeljes. De planten zijn opgeplant op een keuringsveld bij Pannebakker & Co te Hazerswoude-Dorp. De planten waren grotendeels afkomstig van Nederlandse kwekerijen, aangevuld met verschillende cultivars uit het buitenland. Van elke cultivar stonden drie tot vijf planten op het proefveld. Hiervan zijn steeds twee planten per cultivar na de winter teruggeknipt tot aan de basis, zoals dat in praktijk ook vaak gebeurd. Van 2005 tot 2009 is de collectie diverse malen gekeurd door de keuringscommissie van de KVBC. Voor deze keuring zijn C. alternifolia en C. controversa niet in de proefopplant opgenomen; dit zijn geen echte Winterkornoeljes.

In dit artikel worden alle geteste cultivars korte beschreven en worden enkele nomenclatorische problemen opgelost. Uiteindelijk hebben 19 van de 45 cultivars en niet-benoemde klonen die zijn getest een positieve waardering gekregen: zes cultivars kregen drie sterren (uitstekend), vijf cultivars kregen twee sterren (heel goed), acht cultivars kregen één ster (goed) en een kreeg een “s” (geschikt voor speciale doeleinden).

Dendroflora 44

Herfstkleuren

Dr. P.C. de Jong

Hoe komt het dat de ene boom zijn blad grauw verdord laat vallen en de andere afscheid neemt met een kleurrijk palet van goudgeel tot scharlakenrood en diep purper? Waarom verkleuren in sommige streken hele landschappen? Waarom toont een geïmporteerde boom, die op zijn natuurlijke groeiplaats zo prachtig verkleurde bij ons die kleuren vaak in het geheel niet? Allemaal vragen die aan de orde kwamen op de in november 2007 gehouden Dendrologendag in Wageningen.

Het Nederlandse zeeklimaat geeft beperkingen aan de intensiteit van herfstkleuren. Interessant daarbij is dat de natuurlijke processen die ten grondslag liggen aan herfstverkleuring door mutaties kunnen worden versterkt. Dit heeft al geresulteerd in diverse selecties die ook in ons land een goede herfstkleur geven. Dit aantal kan in de toekomst nog verder worden vergroot.

Dit artikel geeft achtergronden over het ontstaan van herfstkleuren en het geeft een opsomming van soorten die mooie herfstkleuren geven

Beplanting van boomspiegels

Ir. M.H.A. Hoffman

In het openbaar groen en in tuinen wordt de ruimte rondom de stam van bomen onder de kroon (de boomspiegel) op verschillende manieren ingericht. Het beplanten van deze ruimte is gewoonlijk het meest dynamisch en esthetisch, mits de beplanting goed aanslaat en groeit conform de verwachtingen. Voor het beplanten van boomspiegels leent zich lang niet elk gewas, omdat de omstandigheden vrij beperkend zijn. Veel vaste planten en heesters zijn niet in staat om zich te handhaven onder deze beperkende omstandigheden, maar diverse soorten kunnen dit gelukkig wel. Een succesvolle aanplant valt of staat bij een goede basis (grondbehandeling) en juiste sortimentskeuze. Praktijkonderzoek Plant en Omgeving deed onderzoek en stelt voor verschillende types boomspiegels een aanbevolen sortiment samen.

Clethra – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.H.A. Hoffman

Clethra (Schijnels) is in Nederland tamelijk onbekend. Alleen de soort C. alnifolia komt vrij algemeen voor in tuinen en plantsoenen. Vooral de mooie sterk en zoet geurende bloemen in de zomer maken de plant aantrekkelijk. De laatste jaren zijn er vrij veel nieuwe cultivars op de markt gebracht, onder andere met een compactere groeiwijze, rijkere bloei of afwijkende bloemkleur. Dit kan in potentie zorgen voor een nieuwe impuls voor het geslacht. Dit artikel geeft een overzicht van het sortiment, dat door PPO is onderzocht. Inclusief de resultaten van een sterrenkeuring die in samenwerking met de KVBC is uitgevoerd.

Hydrangea paniculata – Euro-Trial

Ir. M.H.A. Hoffman & R.T. Houtman

Het aantal cultivars van Hydrangea paniculata, (Pluimhortensia) is de afgelopen jaren flink toegenomen. Vooral in België en Nederland is er de afgelopen jaren een aantal veelbelovende nieuwe cultivars ontstaan. Het was onduidelijk in hoeverre de nieuw geïntroduceerde cultivars een verbetering vormen van het bestaande sortiment. Daarom is een sortimentskeuring uitgevoerd. Er zijn bijna 40 verschillende cultivars verzameld en opgeplant. Op initiatief van de KVBC ging dit als Euro-Trial. Ze zijn niet alleen in Nederland getest, maar via samenwerkingspartners ook in enkele andere Europese landen. Hierbij vond over en weer informatie-uitwisseling plaats.

Itea – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.E.C.M. Hop

Itea, de Bloemwilg, is een klein geslacht van bloeiende heesters. Bij ons is vooral de Amerikaanse soort I. virginica bekend, vanwege de bloei met witte aartjes in de voorzomer en de prachtige purperrode herfstkleur van het blad. Vooral de recent ontwikkelde compacte rassen zijn erg bruikbaar als tuin- en plantsoenplant. Door PPO werd in samenwerking met de keuringscommissie van de KVBC een sortiment beoordeeld en gekeurd.

Weigela – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.H.A. Hoffman

Weigela is een veel gebruikte sierheester in de gematigde gebieden, vooral vanwege de kleurrijke bloemen en/of bladeren. Het sortiment is de afgelopen jaren flink uitgebreid. Inmiddels zijn al meer dan 200 cultivars bekend. Het is hierdoor voor zowel kwekers als gebruikers lastig om een keuze te maken. Verder is er in praktijk veel verwarring over de juiste indeling van cultivars. Veel cultivars worden ingedeeld in een soort, met name W. florida en W. praecox, maar vallen door hybridisatie vaak niet binnen de soortgrenzen. In dit onderzoek is door PPO een nieuw classificatiesysteem ontwikkeld voor indeling van cultivars in acht cultivargroepen. Samen met de KVBC is een sterrenkeuring uitgevoerd waarbij veel nieuwe cultivars zijn vergeleken met oudere. Als eindresultaat is een lijst met aanbevolen cultivars samengesteld.

Dendroflora 43

Wie zochten en introduceerden onze uitheemse bomen en struiken (2)?
A.H.J. Faassen
In dit tweede deel komen de plantenzoekers in Azië aan bod. In het eerste deel, in Dendroflora 42, werden de plantenzoekers in Europa en Amerika behandeld. De plantenzoektochten naar Azië begonnen al in de oudheid, maar de oogst bleef lang beperkt tot enkele soorten die via de zijderoute werden meegenomen. Voorbeelden hiervan zijn Prunus persica (Perzik), Prunus armeniaca (Abrikoos), Juglans regia (Walnoot) en Salix babylonica (Treurwilg). Vanaf de 16de eeuw kwamen de eerste planten uit Noord-Amerika, maar het zou nog bijna twee eeuwen duren voordat ook de Oost-Aziatische flora intensief zou worden geïntroduceerd. De flora van Oost- Azië is zeer rijk en telt meer houtige gewassen dan die van Europa en Noord Amerika samen. Aanvankelijk verliep de invoer uit het Verre Oosten heel moeizaam. Veel materiaal overleefde de lange reis om Afrika niet. De introductie van een nieuw plantenvervoermiddel, de Wardian Case, bleek een uitkomst.

Bomen en heesters met aantrekkelijke bast of takvorm 
Ir. M.H.A. Hoffman
Door PPO is onderzoek gedaan naar het thema aantrekkelijke bast en takvormen bij bomen en struiken. Opvallende kleur of structuur van de bast of bijzondere takvormen kunnen een. welkome meerwaarde aan planten geven. Niet in het minst omdat de meeste bomen en heesters bijna de helft van de tijd van het jaar geen blad of bloemen dragen.
De belangrijkste doelstelling van dit onderzoek is het geven van een overzicht van soorten en cultivars met sierwaarde van stam, takken of twijgen. En daaraan gekoppeld het aanbevelen en promoten van het meest geschikte sortiment.
Dit artikel geeft in het eerste deel achtergronden over het onderzoek en het onderwerp, zoals functie van bast en diversiteit aan basten.
Daarna wordt ingegaan op de gekleurde twijgen, waarbij per kleur het belangrijkste sortiment wordt besproken. Daarna worden de gekleurde stammen en takken behandel. Ook hierbij wordt per kleur het belangrijkste sortiment besproken. Dan volgt de sierwaarde als gevolg van verschillende stam- en takstructuren (kurkvorming, doornen en stekels, lenticellen en afschilferende bast). Vervolgens volgen bijzondere takvormen met sierwaarde, zoals gedraaide takken en afwijkende takdikte. Tenslotte volgt aan het eind een overzichtstabel waarin per soort en soms per cultivar de sierwaarde van de stam en takken en/of van de twijgen wordt aangegeven.
De gegevens zijn ontleend aan literatuuronderzoek en eigen ervaringen en waarnemingen.

Buddleja davidii – tussenstand sortimentsonderzoek
I
r. M.E.C.M. Hop
Van Buddleja davidii (Vlinderstruik) zijn de laatste jaren veel nieuwe rassen op de markt gekomen. Naar aanleiding van een opplanting bij PPO worden hier de eerste onderzoeksresultaten gepubliceerd. De cultivars worden kort beschreven, en het onderzoek dat gedaan is naar de aantrekkelijkheid voor vlinders wordt toegelicht. Inmiddels is in meerdere landen een Euro-Trial Buddleja gestart. Zodra dat onderzoek is afgerond volgt het volledige onderzoeksrapport, inclusief de keuringsresultaten.

Caryopteris – sortimentsonderzoek en keuringsrapport 
Ir. M.H.A. Hoffman
Het vrij kleine geslacht Caryopteris (Blauwbaard) is in de nazomer en herfst een opvallende kleine heester in de Nederlandse tuinen. Met name C. incana en C. ×clandonensis en cultivars zijn bekend. Helaas is er veel verwarring wat betreft de soortechtheid van sommige cultivars met name enkele oudere cultivars, zoals ‘Kew Blue’, ‘Heavenly Blue’ en ‘Arthur Simmonds’. Daarnaast heeft het sortiment zich de afgelopen jaren meer dan verdubbeld, als gevolg van introductie van nieuwe cultivars. Daarom is door PPO een overzicht gegeven van het sortiment. In samenwerking met de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen (KVBC) is tevens een sterrenkeuring uitgevoerd, waarin zowel nieuwe als oude cultivars betrokken zijn.
Voor dit onderzoek zijn ruim 20 verschillende Caryopteris verzameld en aangeplant op het PPO-proefveld in Boskoop.

Ceanothus – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.E.C.M. Hop
De zuiver blauwe bloemkleur is hét handelsmerk van Ceanothus, een kleur die zeer gewild is. In Nederland is het gewas matig bekend. Op dit moment is de keuze uit cultivars behoorlijk groot, maar de meesten zijn nog niet onder Nederlandse omstandig¬heden uitgetest. Voor veel rassen is de winterhardheid bij voorbaat al het zwakke punt. Vaak is echter in de praktijk niet de koude maar de natte bodem hier de factor die de plant de das om doet. Met de verwachte opwarming van het klimaat is Ceanothus echter één van de gewassen die in Nederland een groot succes kan worden.
In de sortimentstuin Harry van de Laar in Boskoop heeft een collectie van 40 verschillende Ceanothus opgeplant gestaan. Hun groei, bloei, ontwikkeling en gezondheid is in die jaren waargenomen en de keurings¬commissie van de KVBC heeft vanaf 2005 de planten regelmatig gekeurd. In deze publicatie worden de resultaten weergegeven.

Laburnum – sortimentsonderzoek 
Ir. M.H.A. Hoffman
Het kleine geslacht Laburnum (Gouden regen) telt slechts 2 soorten, L. alpinum en L. anagyroides. Deze soorten kruisen vrij gemakkelijk en geven de soorthybride L. ×watereri. Alom bekend en zeer typerend zijn de lange gele bloemtrossen. De inmiddels meer dan een eeuw oude L. ×watereri ‘Vossii’ is nog steeds veruit de bekendste en meest gekweekte cultivar Van die andere cultivars zijn overigens de meesten ook al meer dan 100 jaar oud. Wel is er vrij veel naamsverwarring, onder andere vanwege de hybridisatie tussen beide soorten. De laatste decennia heeft de zg. dikkoppen-ziekte de kop opgestoken en zorgt in praktijk soms voor ongemak in de teelt. In dit artikel wordt door Praktijkonderzoek Plant & Omgeving een overzicht gegeven van het sortiment. Naast enkele gangbare onderwerpen zoals de achtergronden van het onderzoek, taxomomie en verspreiding, beschrijving, gebruikswaarde en vermeerdering, wordt ook vrij uitgebreid ingegaan op de dikkoppen-ziekte. Aan het eind worden de verschillende soorten en cultivars behandeld.

Sarcococca – overzicht van het sortiment
A.J. Laros
Sarcococca is één van de recentere collecties van de Nederlandse Plantencollecties.
Dit geslacht heeft sinds de eerste introductie bijna 200 jaar geleden (te) weinig in de belangstelling gestaan. Met name vanwege de veelzijdige toepassingsmogelijkheden en sterke zoete bloemgeur, zit er meer in dit gewas dan er tot nu toe uit is gekomen. Een belangrijke reden voor dit overzichtsartikel. De collectie staat opgeplant in de Plantentuin in Oirschot en Plantentuin Esveld in Boskoop, die ook de collectie beheert.
In dit artikel worden de 7 in Nederlands belangrijkste soorten en bijbehorende ondersoorten, variëteiten en cultivars besproken. Hiervan is S. hookerinana veruit de meest gekweekte en gebruikte.

Dendroflora 42

Herfstkleuren

Dr. P.C. de Jong

Hoe komt het dat de ene boom zijn blad grauw verdord laat vallen en de andere afscheid neemt met een kleurrijk palet van goudgeel tot scharlakenrood en diep purper? Waarom verkleuren in sommige streken hele landschappen? Waarom toont een geïmporteerde boom, die op zijn natuurlijke groeiplaats zo prachtig verkleurde bij ons die kleuren vaak in het geheel niet? Allemaal vragen die aan de orde kwamen op de in november 2007 gehouden Dendrologendag in Wageningen.

Het Nederlandse zeeklimaat geeft beperkingen aan de intensiteit van herfstkleuren. Interessant daarbij is dat de natuurlijke processen die ten grondslag liggen aan herfstverkleuring door mutaties kunnen worden versterkt. Dit heeft al geresulteerd in diverse selecties die ook in ons land een goede herfstkleur geven. Dit aantal kan in de toekomst nog verder worden vergroot.

Dit artikel geeft achtergronden over het ontstaan van herfstkleuren en het geeft een opsomming van soorten die mooie herfstkleuren geven

Beplanting van boomspiegels

Ir. M.H.A. Hoffman

In het openbaar groen en in tuinen wordt de ruimte rondom de stam van bomen onder de kroon (de boomspiegel) op verschillende manieren ingericht. Het beplanten van deze ruimte is gewoonlijk het meest dynamisch en esthetisch, mits de beplanting goed aanslaat en groeit conform de verwachtingen. Voor het beplanten van boomspiegels leent zich lang niet elk gewas, omdat de omstandigheden vrij beperkend zijn. Veel vaste planten en heesters zijn niet in staat om zich te handhaven onder deze beperkende omstandigheden, maar diverse soorten kunnen dit gelukkig wel. Een succesvolle aanplant valt of staat bij een goede basis (grondbehandeling) en juiste sortimentskeuze. Praktijkonderzoek Plant en Omgeving deed onderzoek en stelt voor verschillende types boomspiegels een aanbevolen sortiment samen.

Clethra – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.H.A. Hoffman

Clethra (Schijnels) is in Nederland tamelijk onbekend. Alleen de soort C. alnifolia komt vrij algemeen voor in tuinen en plantsoenen. Vooral de mooie sterk en zoet geurende bloemen in de zomer maken de plant aantrekkelijk. De laatste jaren zijn er vrij veel nieuwe cultivars op de markt gebracht, onder andere met een compactere groeiwijze, rijkere bloei of afwijkende bloemkleur. Dit kan in potentie zorgen voor een nieuwe impuls voor het geslacht. Dit artikel geeft een overzicht van het sortiment, dat door PPO is onderzocht. Inclusief de resultaten van een sterrenkeuring die in samenwerking met de KVBC is uitgevoerd.

Hydrangea paniculata – Euro-Trial

Ir. M.H.A. Hoffman & R.T. Houtman

Het aantal cultivars van Hydrangea paniculata, (Pluimhortensia) is de afgelopen jaren flink toegenomen. Vooral in België en Nederland is er de afgelopen jaren een aantal veelbelovende nieuwe cultivars ontstaan. Het was onduidelijk in hoeverre de nieuw geïntroduceerde cultivars een verbetering vormen van het bestaande sortiment. Daarom is een sortimentskeuring uitgevoerd. Er zijn bijna 40 verschillende cultivars verzameld en opgeplant. Op initiatief van de KVBC ging dit als Euro-Trial. Ze zijn niet alleen in Nederland getest, maar via samenwerkingspartners ook in enkele andere Europese landen. Hierbij vond over en weer informatie-uitwisseling plaats.

Itea – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.E.C.M. Hop

Itea, de Bloemwilg, is een klein geslacht van bloeiende heesters. Bij ons is vooral de Amerikaanse soort I. virginica bekend, vanwege de bloei met witte aartjes in de voorzomer en de prachtige purperrode herfstkleur van het blad. Vooral de recent ontwikkelde compacte rassen zijn erg bruikbaar als tuin- en plantsoenplant. Door PPO werd in samenwerking met de keuringscommissie van de KVBC een sortiment beoordeeld en gekeurd.

Weigela – sortimentsonderzoek en keuringsrapport

Ir. M.H.A. Hoffman

Weigela is een veel gebruikte sierheester in de gematigde gebieden, vooral vanwege de kleurrijke bloemen en/of bladeren. Het sortiment is de afgelopen jaren flink uitgebreid. Inmiddels zijn al meer dan 200 cultivars bekend. Het is hierdoor voor zowel kwekers als gebruikers lastig om een keuze te maken. Verder is er in praktijk veel verwarring over de juiste indeling van cultivars. Veel cultivars worden ingedeeld in een soort, met name W. florida en W. praecox, maar vallen door hybridisatie vaak niet binnen de soortgrenzen. In dit onderzoek is door PPO een nieuw classificatiesysteem ontwikkeld voor indeling van cultivars in acht cultivargroepen. Samen met de KVBC is een sterrenkeuring uitgevoerd waarbij veel nieuwe cultivars zijn vergeleken met oudere. Als eindresultaat is een lijst met aanbevolen cultivars samengesteld.

Dendroflora 41

Laanbomensortiment van Aesculus
Ing. G.J.J. Bolscher
Dit rapport is deels een herziening van, maar vooral een aanvulling op de Aesculus-keuringsrapporten, gepubliceerd in Dendroflora 4, 1967, van Herman J. Grootendorst en in Dendroflora 34 van Dr. P.C, de Jong.
Deze beoordeling van het Aesculus-sortiment omvat vooral nieuwe, fraai bloeiende types van A. ×carnea, enkele selecties van A. flava en een piramidale vorm van A. hippocastanum.
De Aesculus ×carnea herkomsten uit Hellouw en Kesteren zijn door de TKC positief beoordeeld en gewaardeerd met respectievelijk één en twee sterren en hebben de cultivarnaam A. ×carnea ‘Hellouw’ en A. ×carnea ‘Boom en Vrucht’ gekregen. Daarnaast blijft A. ×carnea ‘Briotii’ een goede, met drie sterren gewaarde cultivar.
De herkomsten uit Groenekan, Tiel en Rotterdam worden niet aanbevolen.
A. ×carnea ‘Plantierensis’, zoals die wordt uitgegeven door de Vermeerderingstuinen Nederland in Zeewolde, voldoet aan de officiële beschrijving en is voldoende onderscheidbaar van de ander A. ×carnea cultivars. De waardering is één ster.
Verder wordt kort ingegaan op enkele veel voorkomende kastanjeziektes, die vooral de laatste jaren flink de kop op hebben gestoken.

Camellia – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
J.P. Kortmann
Camellia was in Nederland nooit echt populair als tuinplant. Hierin lijkt de laatste jaren wat verandering te komen. Dit heeft onder andere te maken met de langzamer klimaatsverandering, waardoor echt strenge winters steeds minder vaak voorkomen. Ook een goede raskeuze is hierbij essentieel.
In Boskoop heeft is een sortimentsproef uitgevoerd, waarbij 100 verschillende cultivars zijn getest (op veengrond). De keuze voor deze cultivars uit het zeer grote sortiment Camellia is gebaseerd op adviezen van Camellia-kwekers. De mooiste en meest veelbelovende qua winterhardheid zijn gekozen en aangeplant. Het sortiment is 4 jaar gevolgd en gekeurd door de Koninklijke Vereniging van Boskoopse Culturen. Belangrijke criteria bij het keuren waren soortechtheid, kwaliteit van de bloemen, bloeirijkheid, opschonen, kwaliteit van het blad, groeiwijze, gezondheid en vooral de vorstresistentie.
Van de 100 cultivars werden 4 cultivars bekroond met drie sterren, 15 met twee sterren en 24 met één ster. Alle cultivars zijn weergegeven en kort beschreven in de tabel. Van de bekroonde cultivars zijn uitgebreidere plantbeschrijvingen gemaakt.

Mahonia aquifolium, M. repens & M. ×wagneri en hybriden – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
R.T. Houtman, K.J. Kraan en W.H. Kromhout
Van 2002 tot eind 2004 is een groot aantal cultivars van Mahonia aquifolium, repens en ×wagneri beoordeeld door de keuringscommissie van de KVBC. De doel van de proef was om alle planten correct te identificeren en de beste cultivars te bepalen en te waarderen met sterren. De meeste cultivars zijn geschikt voor particuliere tuinen, maar enkele zijn ook zeer geschikt voor toepassing in openbaar groen. Vooral een aantal recent op de markt gebrachte cultivars blijkt hiervoor zeer geschikt. Veel van deze nieuwe cultivars zijn kruisingen tussen M. aquifolium en M. repens. Hiervoor is een nieuwe cultivar groep geïntroduceerd: Repens Groep.

Syringa subgenus Ligustrina
Dr. P.C. de Jong
Na artikelen over het Syringa vulgaris sortiment (Dendroflora 37) en het Syringa Villosae Groep sortiment (Dendroflora 39) volgt nu een verhandeling over een vrij nieuw seringensortiment van de twee soorten in het subgenus Ligustrina, Syringa pekinensis en Syringa reticulata.
De cultivars van beide soorten zijn overwegend Amerikaanse selecties.
Vooral die van S. reticulata winnen in de Verenigde Staten en Canada aan populariteit, maar het gehele sortiment verdient in Europa zeker meer aandacht.

Dendroflora 40

40 jaar Dendroflora 
Ir. J.J.C. Janssen
Het verschijnen van het 40ste nummer van Dendroflora is een goede aanleiding om terug te kijken naar wat de afgelopen 40 jaar is gebeurd. Opvallend is dat er in deze lange periode slechts drie hoofdredacteuren zijn geweest. Ook de redactieleden zijn erg trouw aan Dendroflora. Over de hele periode hebben 13 redactieleden de 3 hoofdredacteuren bijgestaan bij het uitgeven van 40 nummers, waarin vele keuringsrapporten, dendrologische artikelen en keuringen van nieuwe gewassen zijn gepubliceerd. Om enige ordening te krijgen in de vele gebeurtenissen in de historie van Dendroflora is er een chronologische indeling gemaakt, waarin de perioden van de drie hoofdredacteurschappen de leidraad vormen.

40 jaar keuringen
Ing. G. Fortgens
Elk jaar wordt in Dendroflora de rapportage gepubliceerd van de Keuringscommissie van de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen. Één van de activiteiten van deze keuringscommissie is het beoordelen van nieuwigheden. Op verzoek van kwekers brengt de Keuringscommissie een bezoek aan het bedrijf om een aangemelde nieuwigheid te plaatse te beoordelen. Vaak worden de planten gedurende enkele jaren gevolgd in hun ontwikkeling alvorens over te gaan tot stemming om al dan niet een bekroning uit te reiken.
Sedert de oprichting van Dendroflora presenteert de secretaris van deze commissie de nieuwe gewassen die in het voorafgaande jaar zijn beoordeeld en bekroond met een Getuigschrift. Van 1963 tot 1968 was dat de heer P. de Vogel. Zijn opvolger de heer H.J. van de Laar heeft van 1969 tot en met 1998 in totaal zo’n 300 nieuwigheden beschreven. Sedert 1999 verzorgt de heer R. Houtman deze presentatie van bekroonde nieuwigheden.
In het artikel wordt ingegaan op de geschiedenis en de resultaten hiervan. Wat wordt er precies gekeurd, welke bekroningen zijn mogelijk, waar komen de nieuwigheden, wat waren de toppers en tenslotte welke gewassen zijn toppers in het sortiment geworden zonder dat er een keuring aan te pas kwam.

Het biodiversiteitsverdrag – gevolgen voor de boomkwekerij
Drs. W.L.A. Hetterscheid
In 1992 werd in Rio de Janeiro een conferentie gehouden naar aanleiding van de toenemende ongerustheid over het verdwijnen van organismen en ecosystemen op onze planeet. Deze conferentie leidde tot de opstelling van het zogenaamde Biodiversiteitsverdrag (CBD). Dit verdrag trad in 1993 in werking en is inmiddels door vele landen ondertekend en geratificeerd, o.a. door Nederland. Het Nederlandse beleid naar aanleiding van het verdrag is vastgelegd in de notitie “Bronnen van ons bestaan – behoud en duurzaam gebruik van genetische diversiteit”. Dit artikel gaat onder andere in op de gedragscode die is ontwikkeld door botanische tuinen en de gevolgen voor de praktijk.

Citrus aurantium (Bittere sinaasappel) in Nederland
Ir. L.E. Groen, Drs. Ing. W.N.J. Ursem, Dr G.A. van Uffelen
In de oranjerieën van de zeventiende-eeuwse Europese elite nam Citrus een belangrijke plaats in.
Deze traditionele cultuur is op enkele plaatsen in Nederland tot op heden bewaard gebleven.
Hier een inventarisatie van de zeventiende eeuwse rassen van de Bittere sinaasappel (Citrus aurantium) die nog aanwezig zijn in Nederlandse collecties. Verder een overzicht van de moderne cultivars en het hedendaagse gebruik van deze markante Citrus met een sleutel voor determinatie. Deze sleutel is gebaseerd op de planten in de resterende citrus-collecties in combinatie met de literatuur over de zeventiende-eeuwse Hollandse verzamelingen.

Hydrangea macrophylla en serrata – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
Het sortiment van Hydrangea macrophylla en H. serrata groeit gestaag. Inmiddels zijn er al bijna 1000 cultivars geregistreerd. Een gedeelte ervan wordt in West Europa gebruikt als tuinplant, potplant of snijheester. Een groot deel van het Nederland verhandelde sortiment is verzameld en aangevuld met nieuw materiaal uit Engeland en Frankrijk. In twee fases zijn in totaal ruim 200 verschillende planten door het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving getest voor gebruik als tuinplant. De planten zijn getest op gebruikswaarde onder Nederlandse omstandigheden, met name ziektegevoeligheid, bloeirijkheid en vorstgevoeligheid. Aan de hand hiervan en aan de hand van een door de KVBC uitgevoerde sterrenkeuring is een aanbevolen sortiment samengesteld. In dit rapport wordt in tabelvorm een overzicht gegeven van de resultaten van alle geteste planten. Daarnaast wordt het aanbevolen sortiment weergegeven met de volledige plantbeschrijvingen.

Taxus – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
Taxus (Venijnboom) is een populaire tuinplant in gematigde gebieden. De plant wordt met name gewaardeerd vanwege de groeiwijze, de wintergroene naalden en de rode besachtige vruchten. Het geslacht telt ca. 10 soorten en ruim 200 cultivars, met een zeer grote variatie en veel toepassingsmogelijkheden. Vooral de toepassingen als haagplant, voor vormsnoei en als solitair zijn zeer bekend. Vooral de laatste jaren zijn er ook veel dwergvormen bijgekomen. Middels een sortimentsproef bij PPO en in de Nederlandse Plantencollectie van Taxus in Zundert is een groot deel van het sortiment beoordeeld en gekeurd. Op basis van toepassing zijn 7 cultivargroepen gedefinieerd waarin vrijwel alle cultivars van Taxus ondergebracht kunnen worden: Adpressa Groep, Fastigiata Groep, Nana Groep, Repens Groep, Hedge Groep, Tree groep en Washington Groep.. Per groep is een aanbevolen sortiment samengesteld door de keuringscommissie van de KVBC.

Dendroflora 39

Erica carnea
J.G. Flecken
Van 1999 tot 2002 zijn ruim 100 verschillende cultivars van Erica carnea beoordeeld en gekeurd voor gebruik als tuinplant door de keuringscommissie van de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen. Belangrijke aanleidingen hiervoor waren de grote toename van het aantal cultivars de afgelopen jaren en twijfels over de soortechtheid van een aantal cultivars.
Er zijn in totaal 39 cultivars positief gewaardeerd. Een aantal van 73 cultivars kan zonder de veelzijdigheid van het sortiment te schaden uit het in Nederland gekweekte sortiment verdwijnen. Een aantal van 13 in Nederland voorkomende cultivars, kon (nog) niet worden opgeplant en kon daarom niet worden beoordeeld. Deze worden volledigheidshalve wel genoemd in dit keuringsrapport.
Naast een beoordeling in de vollegrond als tuinplant, is het belangrijkste deel ook beoordeeld als potplant. Dit vanwege het feit dat steeds meer heideplanten in pot of container verkocht worden. Ook de eventuele geschiktheid als potplant wordt vermeld in dit rapport.

Hamamelis – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
R.T. Houtman en W.J. van der Werf
Omdat de laatste beoordeling van Hamamelis dateerd uit 1980 en er inmiddels veel nieuwe cultivars op de markt zijn gekomen, keurde de Keuringscommissie tussen 1999 en 2002 49 cultivars op sier- en gebruikswaarde. Slechts vier cultivars werden met drie sterren bekroond: H. × intermedia ‘Aphrodite’, ‘Arnold Promise’, ‘Pallida’ en ‘Rubin’. Een tiental cultivars werd met twee sterren bekroond en negen cultivars met één ster. Daarnaast kregen vier cultivars een “s” (voor speciale doeleinden). Dit zijn H. × intermedia ‘Angelly’, H. japonica ‘Pendula’, H. ‘Rochester’ en H. vernalis ‘Sandra’.
De gehele collectie werd geïdentificeerd en beschreven. Enkele problemen in naamgeving werden opgelost. Belangrijke naamswijzigingen betreffen de hybriden tussen H. mollis en H. vernalis. Het zijn H. ‘Brevipetala’, ‘Doerak’ en ‘Rochester’.
Voor de volledigheid van dit artikel worden naast de gekeurde cultivars meer dan vijftig cultivars kort genoemd. Deze zijn nog niet of in zeer beperkte mate op de markt en konden niet meegenomen worden in de keuringen.
De keuringen vonden in hoofdzaak plaats op de kwekerij van Wim van der Werf in Boskoop. Ook de Engelse nationale collectie van Chris Lane uit Newington werd meerdere keren bekeken en veel informatie is van hem afkomstig.

Helenium – sortimentsonderzoek en keuringsrapport 
Ir. M.E.C.M. Hop
De populariteit van Helenium (Zonnekruid) neemt weer toe, mede doordat er de afgelopen jaren meerdere interessante nieuwe cultivars zijn geïntroduceerd. Heleniums zijn geschikt voor tuinen en openbaar groen. Ze zijn robuust, gezond, goed winterhard en aantrekkelijk voor bijen en vlinders. Ook worden ze als snijbloem geteeld, vooral het ras ‘Kanaria’. De bloei start tussen juni en september. Er zijn gele, donkerrode en geel-met-rood bloeiende rassen, die in hoogte variëren van ca. 60 tot 200 cm. Een zeer nuttige eigenschap van Helenium is het onderdrukkende effect op enkele soorten bodemaaltjes.
Helenium soorten komen in het wild voor in Noord- en Zuid-Amerika. Hoewel in de praktijk voor de tuinplanten vaak de soortnaam Helenium autumnale wordt gebruikt, zijn de meeste tuinrassen waarschijnlijk van hybride oorsprong. In dit artikel worden 50 cultivars beschreven aan de hand van levend materiaal. Hiervan zijn er 28 ook gekeurd door de KVBC. Op basis van literatuurgegevens worden nog 136 cultivars genoemd en indien mogelijk kort beschreven.

Ilex ×meserveae – keuringsrapport
R.T. Houtman
Het kleine sortiment Ilex × meserveae werd eind ’90er jaren door de Keuringscommissie van de KVBC gekeurd. Hiertoe werden 12 cultivars opgeplant in Boskoop. Tijdens het onderzoek bleek dat twee hiervan niet tot de hybride I. × meserveae behoren. Van de overige 10 werden twee cultivars (‘Blue Angel’ en ‘Meseal’ (BLUE BUNNY)) met drie sterren bekroond, één cultivar (‘Blue Prince’) met twee sterren bekroond en vier cultivars (‘Blue Princess’, ‘Mesan’ (BLUE STALLION), ‘Mesgolg’ (GOLDEN GIRL) en ‘Mesid’ (BLUE MAID)) met één ster bekroond. De overige drie cultivars kunnen vervallen.
Naast de gekeurde cultivars worden 8 nieuwe of niet beoordeelde cultivars beschreven. Vier hiervan zijn nieuwe, uit Duitsland afkomstige cultivars. Ook zijn er twee bontbladige cultivars beschreven.

Syringa ×prestoniae – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
Van 1994 tot 2001 zijn er 15 verschillende cultivars van de Syringa Prestoniae Group beoordeeld en gekeurd voor gebruik als tuinplant door het Proefstation in Boskoop in samenwerking met de keuringscommissie van de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen. Belangrijke aanleidingen hiervoor waren de toenemende populariteit van het gewas en de toename van het aantal cultivars de afgelopen jaren in Nederland. Verder is er onduidelijkheid over de taxomische status (voorouders) van enkele cultivars.
Er zijn in totaal 8 cultivars positief gewaardeerd. Met een waardering van drie sterren sprongen vooral ‘Agnes Smith’, Minuet’ en ‘Redwine’ er uit. Naast deze 15 beoordeelde planten zijn er mat name in de Verenigde Staten en Canada nog veel meer cultivars in omloop. Een aantal veelbelovende cultivars hiervan wordt ook in dit rapport genoemd.
Naast een beoordeling in de vollegrond als tuinplant, is het belangrijkste deel ook beoordeeld als potplant. Een aantal cultivars leent zich zeer goed voor de teelt en verkoop in pot. Ook de eventuele geschiktheid als potplant wordt vermeld in dit rapport.
Teneinde een stabielere classificatie te krijgen is ervoor gekozen om de cultivars van de hybriden S. × josiflexa en S. ×prestoniae onder te brengen in één cultivargroep: [Villosae Groep].

Dendroflora 38

Van soort tot cultivar
Dr. P.C. de Jong
De tijd dat het groene vak het over soorten had, waarbij slechts ten dele botanische soorten werden bedoeld, ligt intussen wel achter ons. Maar toch is wat nu echt onder een soort (species) moet worden verstaan niet zo simpel. Ook het gebied tussen botanische soort en cultivar is in meerdere opzichten een grijs gebied. Dit artikel gaat niet over regels rond de naamgeving (zie Dendroflora 36), maar over wat de verschillende categorieën van soort tot en met cultivar inhouden.

Herfstbloeiende Anemone – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.E.C.M. Hop
Herfstbloeiende Anemonen, ook wel Japanse Anemonen genaamd, zijn al meer dan een eeuw geliefde border¬planten. Als de meeste zomerbloemen zijn uitgebloeid verschijnen vanaf augustus hun roze of witte bloemen, waarmee ze zelfs de donkerste hoekjes in de tuin opvrolijken. Het zijn robuuste en lang levende planten. Als ze eenmaal goed aangeslagen zijn op een plaatsje in de halfschaduw vergen ze weinig onderhoud.
Hoewel er in de laatste jaren weer nieuwe cultivars geïntroduceerd zijn, dateren de meeste rassen van het begin van de twintigste eeuw. Na zo’n lange tijd van vermeerdering en verkoop zijn er enkele fouten geslopen in de identificatie van de planten. Om hierover meer duidelijkheid te krijgen heeft PPO Sector Bomen op verzoek van de Vereniging van Vaste Plantenkwekers een kleine collectie herfstbloeiende Anemone opgeplant. De keurings¬commissie vaste planten van de KVBC heeft een sterrenkeuring op deze planten uitgevoerd. Het onderzoek werd gefinancierd door het Productschap Tuinbouw.

Japanse Azalea – een overzicht van het sortiment
A.J. Laros
Op Nederlandse kwekerijen worden honderden verschillende Japanse Azalea’s gekweekt. Een gedeelte wordt in de volle grond geteeld, anderen uitsluitend in pot. Gedurende een aantal jaren heeft de keuringscommissie van de KVBC ruim 250 cultivars naast elkaar opgeplant en vergeleken. Dit artikel geeft een overzicht van het grote sortiment. Naast beschrijvingen van een groot aantal cultivars wordt onder andere de rijke cultuurgeschiedenis belicht en wordt een indeling van cultivars gegeven zoals in praktijk vaak wordt gebruikt. Tevens is een aanbevolen sortiment samengesteld.

Glyptostrobus, – in Nederland nauwelijks bekend
D.M. van Gelderen
De aanleiding om over Glyptostrobus te schrijven is het feit dat in de tuin van de auteur, sinds tien jaar, een exemplaar van deze soort staat. De boom is nu 4 meter hoog en heeft niet of nauwelijks vorstschade gehad. Alleen in de Elfstedentochtwinter van 1996/1997 waren enkele groeitoppen ingevroren, maar de boom herstelde zich zonder moeite.

Volwassen en struikvormige Hedera – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.E.C.M. Hop
Hedera is in tuinen waarschijnlijk de meest bekende wintergroene klimplant. Het is echter vooral de jeugd¬vorm van klimop die klimt; oudere planten nemen hun volwassen vorm aan met bloei en besdracht. Op een lichte standplaats worden veel cultivars tussen 6 en 12 jaar na aanplant volwassen en groeien dan als een struik.
Er zijn niet veel planten waarbij de jeugdvorm en volwassen vorm zo duidelijk in uiterlijk van elkaar verschillen. De vorm van het blad wordt ruitvormig in plaats van handlobbig, de groeiwijze wordt struikvormig in plaats van klimmend en er verschijnen bloemen en vruchten. In de natuur worden klimop¬planten vooral volwassen wanneer zij de top van de boom bereiken die ze als klimsteun gebruiken. Het fijne hiervan is nog niet bekend, maar mogelijk is het hogere lichtniveau een factor die de verandering beïnvloedt. Volwassen klimop kan dan ook anderhalve keer zo veel licht verdragen als de jeugdvorm. De verande¬ring is niet onom¬keer¬baar; volwassen planten kunnen ook weer juveniele scheuten produ¬ceren. Hoe vaak dit gebeurt hangt af van de cultivar en het is door toedienen van het plantenhormoon gibberellinezuur te stimuleren.
Er is nog een groep struikvormige klimop, namelijk de niet-klimmende jeugdvormen. Deze kenmerken zich door de kleine blaadjes en het feit dat ze zich niet met hechtworteltjes vastzetten als ze tegen een klimsteun aan gezet worden.

Nepeta – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
Nepeta L. (Kattekruid) is een geslacht dat de laatste jaren erg populair is geworden. Hierbij is het traditionele sortiment behoorlijk aangevuld en verbeterd door nieuwere cultivars. Vanwege de grote diversiteit van het gewas zijn uiteenlopende toepassingen mogelijk. Om dit volledig in kaart te brengen is door het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving in samenwerking met de KVBC en de Vereniging van Vaste Plantenkwekers een sortimentsonderzoek en –keuring uitgevoerd. Er is een aanbevolen sortiment samengesteld. Verder zijn er 7 nieuwe cultivars benaamd en uitgegeven. Tevens zijn enkele problemen betreffende de juiste naam en status van een aantal cultivars opgelost.

Dendroflora 37

De botanische introducties van Philipp Franz von Siebold
Maarten J.M. Christenhusz
Tussen 1829 en 1866 voerde Von Siebold ruim duizend soorten, ondersoorten, variëteiten en cultivars in uit Japan. Vanuit zijn kwekerij te Leiden werden deze planten over geheel Europa verspreid. Sommige soorten werden succesvolle tuinplanten, andere bleven alleen bestaan in gespecialiseerde collecties of verdwenen geheel uit Nederland. Een overzicht van de in Nederland meest populaire introducties door Von Siebold is gegeven, evenals de geschiedenis van het invoeren van de planten. Extra aandacht is besteed aan Von Siebold’s Viburnum’s, Hosta’s en Cercidiphyllum japonicum.

Moraceae – de familie, enige geslachten en bestuiving bij Ficus
Prof. C.C. Berg
Kenmerken van de familie Moraceae worden kort beschreven. De geslachten Broussonetia, Maclura en Morus, met vertegenwoordigers in de gematigde en subtropische gebieden van het noordelijk halfrond worden kort weergegeven. Verder worden enkele bijzondere levensvormen en het unieke bestuivingsysteem van Ficus beschreven.

Eleutherococcus in plaats van Acanthopanax
Dr. J.J. Bos
Op de dendrologendag van het najaar 2000, werd met name de Klimopfamilie (Araliaceae) behandeld. In dat kader werd ook de verwarde situatie rond de namen Acanthopanax en Eleutherococcus uit de doeken gedaan. De literatuur over dit onderwerp is nogal versnipperd en verspreid, maar met behulp van enkele overzichtsartikelen is één en ander duidelijk geworden. Het blijkt dat alle soorten overgaan naar Eleutherococcus. In praktijk vervalt hiermee de geslachtsnaam Acanthopanax. Aan het eind wordt een overzicht gegeven van alle soorten die in Nederland in cultuur zijn (geweest).

Hydrangea paniculata – een overzicht van het sortiment
D.M. van Gelderen
Het sortiment van Hydrangea paniculata is gedurende de laatste vijftien jaar sterk uitgebreid en verbeterd. Vooral de familie De Belder, van het Arboretum Kalmthout in België heeft hieraan zeer sterk bijgedragen. Was er voorheen slechts een vijftal cultivars in cultuur, nu zijn ongeveer 50 verschillende cultivars bekend, waarvan er ongeveer 15 vrij algemeen verkrijgbaar zijn. In dit artikel wordt een zo volledig mogelijk sortiment kort beschreven.

Mahonia × media en verwanten – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
De Aziatische soorten van Mahonia vormen een opvallende groep wintergroene heesters. Ze kenmerken zich onder andere door het grote blad en de winterbloei. M. x media is de bekendste vertegenwoordiger. In Nederland zijn ruim tien verschillende soorten en cultivars verkrijgbaar. Deze verschillen onder andere in winterhardheid, bloeitijd en bloeirijkheid. Deze zijn verzameld en opgeplant op het proefveld van PPO sector Bomen in Boskoop. Vervolgens zijn ze geïdentificeerd, beschreven en door de keuringscommissie van de KVBC gekeurd. Hierbij kwamen M. bealei ‘Hivernant’ en M. x media ‘Winter Sun’ als besten naar voren

Potentilla fruticosa – een overzicht van het sortiment
P. Kolster en W.H. Kromhout
Van Potentilla fruticosa worden in Nederland ruim 50 cultivars gekweekt. Dit sortiment is sterk in beweging. De laatste jaren zijn er vele nieuwe cultivars bijgekomen. Hierbij ligt er veel nadruk op de gezondheid van de planten. Momenteel wordt een collectie verzameld en aangeplant om de komende jaren te worden gekeurd. Dit rapport is een tussenbalans. Er wordt een zo volledig mogelijk sortiment kort beschreven. Daarnaast is er een top 30 samengesteld en per kleurgroep weergegeven. De kleurgroepen zijn: crèmekleurig, geel, oranje, (oranje)rood, roze en wit.

Syringa vulgaris – sortimentsonderzoek
Ir. M.H.A. Hoffman

Syringa vulgaris is veruit de meest populaire Seringensoort in cultuur. Vooral de bloemgeur van deze soort wordt erg gewaardeerd. In totaal bestaan er ruim 1500 geregistreerde cultivars. In Nederland worden enkele tientallen cultivars gekweekt, maar slechts enkelen zijn algemeen verkrijgbaar. Het Nederlandse handelssortiment, aangevuld met enkele in Nederland onbekende Seringen, is verzameld en opgeplant op het proefveld van PPO sector Bomen te Boskoop. In totaal zijn bijna 60 cultivars geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld. Daarnaast zijn van ruim 20 cultivars, die niet beoordeeld zijn, maar die wel op kleine schaal in Nederland gekweekt worden, korte beschrijvingen samengesteld aan de hand van literatuurgegevens.Voor gebruik als tuinplant wordt in dit artikel een topsortiment per kleurgroep aanbevolen.

Dendroflora 36

Naamgeving van planten – een overzicht en stand van zaken
Ir. M.H.A. Hoffman
De wetenschap van naamgeving van planten is steeds in beweging. In dit artikel een overzicht met de laatste ontwikkelingen op het gebied van taxonomie. Aan bod komen: internationale regels en recente ontwikkelingen en de oorzaken van naamsveranderingen. Bij de naamgeving van cultuurplanten vormt de cultivarnaam de basale eenheid. Een belangrijk facet bij de naamgeving vormt de bescherming van planten en namen.

Minder bekend kleinfruit – sortiment en gebruik
H.J. Albrecht
Een aantal bekende en veel geteelde fruitsoorten, zoals de Appel (Malus domestica), de Peer (Pyrus communis) en de Framboos (Rubus idaeus) kennen een lange geschiedenis als cultuurgewas. Selectie uit en veredeling van de wilde soorten heeft geresulteerd in het thans gekweekte kwalitatief hoogwaardige sortiment.
Een aantal andere houtige planten met eetbare vruchten is pas recent in cultuur genomen of weer in de belangstelling gekomen. In Duitsland vat men deze gewassen samen onder de noemer ‘Wildobst’. Men verstaat daaronder dus zowel echte wilde soorten als gewassen die daar na selectie en veredeling nog dichtbij staan. In wetenschappelijke kringen wordt gesproken over “Nischenkulturen”. Het artikel is de neerslag van een lezing op de ‘Vruchtbare Dendrologendag’, een studiedag van de NDV te Wageningen op 15 september 1999, gewijd aan weinig bekende en onbekende vruchtgewassen.

Onbekend Chinees kleinfruit
Dr. P.C. de Jong
Uit China stamt een aantal bekende fruitgewassen. Enkele daarvan zijn al eeuwen in West-Europa ingeburgerd, maar de Chinese herkomst ervan is soms in de vergetelheid geraakt. Andere zijn pas in de afgelopen eeuw in de belangstelling gekomen. Er is in China ook heden ten dage nog kleinfruit in cultuur, lokaal en soms zelfs op vrij grote schaal, dat bij ons volslagen onbekend is. De soorten zelf zijn voor een deel wel in Europese arboreta en botanische tuinen te vinden, maar daar blijft het bij. Voor enkele soorten is er in de laatste decennia buiten Nederland al enige belangstelling gekomen, met name in de voormalige DDR.

Acer campestre – cultuurwaarde-onderzoek
Ing. GJ.J. Bolscher en F.H.C. Nouwens
De werkgroep Acer van de Technische Keuringscommissie (TKC) Houtige Siergewassen van de Naktuinbouw heeft in samenwerking met het Boomteeltpraktijkonderzoek (BPO) diverse cultivars en nog onbenaamde selecties van Acer campestre beoordeeld op cultuurwaarde. De gewassen waren opgeplant op de boomteelt¬proeftuin ’De Boutenburg’, van 1994 tot en met 1999. De soort vindt veel toepassing als haagplant. Het gebruik als straatboom heeft eerst vrij recent opgang gemaakt, vooral na het op de markt komen van daarvoor geschikte selecties zoals ‘Elsrijk’.

Aronia – Appelbes (deel 2)
Ir. M.E.C.M. Hop
In Dendroflora 31 (1994) is het eerste artikel gepubliceerd over het sier- en fruitgewas Aronia Medik. In de jaren daarna zijn nieuwe gegevens bekend geworden, onder andere door een sortimentsopplanting van het Boomteeltprak¬tijkonderzoek. De beschrijvingen van de planten kunnen nu worden aangevuld. Ook is de verwarrende taxonomie nog eens onder de loep genomen.

Monarda – sortimentsonderzoek en keuringsrapport
Ir. M.H.A. Hoffman
Het Boomteeltpraktijkonderzoek heeft in samenwerking met de keuringscommissies van de KVBC en de Vereniging van Vaste-plantenkwekers een sortimentsonderzoek Monarda (Bergamotplant) uitgevoerd. Hierbij lag de nadruk op de vatbaarheid voor meeldauw. Aantasting door meeldauw is in de praktijk een groot probleem bij Monarda. Ruim dertig cultivars zijn getest, beschreven en gekeurd.
Monarda is één van de bekendste vasteplanten van de Lamiaceae (Lipbloemfamilie). Het geslacht is vooral geliefd vanwege de mooie bloemen, bij de meeste soorten in schijnhoofdjes geplaatst, en het typisch aromatische blad. Monarda wordt vooral gebruikt als tuinplant, maar de laatste jaren neemt ook het gebruik als snijbloem sterk toe. Daarnaast wordt het aromatische blad gebruikt voor de winning van bergamotolie (oa. gebruikt in Earl-grey thee). Voor gebruik als tuinplant zijn ca. 75 soorten en cultivars in omloop; hiervan wordt ongeveer de helft in Nederland gekweekt.

Osmanthus – een overzicht van het sortiment

D.M. van Gelderen
Osmanthus is ten onrechte een vrij weinig bekend geslacht van wintergroene struiken en soms kleine bomen, behorend tot de grote familie der Oleaceae (Olijfachtigen). Alleen de soort Osmanthus heterophyllus wordt vrij algemeen gekweekt, de overige soorten en cultivars leiden een bescheiden bestaan Het geslacht telt ongeveer 30 soorten Er zijn ongeveer 10 species in cultuur en van Osmanthus heterophyllus kennen we een tiental cultivars. Alle soorten zijn wintergroen en hebben tegenoverstaande bladeren, die al dan niet getand zijn. De kleine, welriekende bloemen zijn wit, crème of geel en staan in okselstandige bundels of pluimen bijeen. De vruchten zijn steenvruchten (éénzadig), (zwart)blauw tot paars en gewoonlijk weinig opvallend. Sommige soorten bloeien in het voorjaar, anderen weer in oktober, zoals O. heterophyllus.
De Nederlandse plantencollectie (NPC) van Osmanthus wordt beheerd door de Fa. C. Esveld te Boskoop. Een deel van de onderstaande informatie is hieraan ontleend.

Pinus mugo – keuringsrapport
J.P. Kortmann
In het begin van de negentiger jaren ontstond bij de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen de behoefte het sortiment van Pinus mugo (bergden) nader te onderzoeken. Er was nog nooit een sterrenkeuring van Pinus mugo geweest en er kwamen in de loop der jaren steeds meer cultivars op de markt. Een groot deel van het sortiment (ca. 60 cultivars en onbenaamde selecties) werd verzameld en in 1992 opgeplant op de kwekerij van de auteur. Gedurende zes jaar werd met de keuringscommissie het sortiment één of tweemaal per jaar geobserveerd. Tevens is eenmaal gekeurd door een aantal leden van de Koninklijke Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde. Ter afronding is dit rapport geschreven voor kweker en consument. Als inleiding wordt van P. mugo een overzicht gegeven van de verspreiding en morfologie, de verschillende variëteiten, de gebruikswaarde, het gebruik als onderstam en de ziekten en plagen.

Prunus laurocerasus – keuringsrapport
K.J. Kraan
Prunus is een groot en gevarieerd geslacht, waarvan een aantal soorten belangrijke cultuurplanten zijn voor gebruik in de tuin en het openbaargroen. De meeste soorten uit de gematigde zone zijn bladverliezend. Prunus laurocerasus (Laurierkers) is een van de weinige bladhoudende soorten. In Dendroflora nummer 7 (1970), heeft Harry van de Laar hierover een uitgebreid rapport gepubliceerd, omdat er grote behoefte bestond om het sortiment goed op naam te brengen. Nu, 30 jaar later, is een nieuw rapport wenselijk, omdat er de laatste jaren nogal wat nieuwe cultivars bijgekomen zijn, vooral uit Hongarije. Hiertoe werden 38 cultivars verzameld en opgeplant bij Boot en Co Boomkwekerijen BV te Boskoop. Van 1995 tot 1999 werden deze planten op verschillende tijdstippen beoordeeld op sier- en gebruikswaarde. Er werden 21 cultivars positief gewaardeerd, de overige 17 negatief (0).
In het kader van een nauwere samenwerking van de KVBC met de Royal Horticultural Society (RHS) hebben keurmeesters van deze grote Engelse zustervereniging een paar keer meegekeurd. Voor wat de vorstgevoeligheid betreft was de winter van 1996-1997 een goede test. De combinatie van een natte periode direct gevolgd door strenge vorst liet flinke sporen na. Direct na de winter is per cultivar de aangerichte schade genoteerd. Bij de omschrijving van de kleuren volgens de RHS-CC, zijn de standaard Nederlandse kleurnamen volgens de VKC gebruikt.